Van toga naar technologie
Het lijkt in de praktijk nogal lastig te zijn om AI een plekje te geven. Te veel AI-gebruik is niet gewenst, maar het volledig links laten liggen lijkt ook niet realistisch. Wanneer rechters zo nadrukkelijk waarschuwen, rijst de vraag wat dit betekent voor de advocatuur.
Een ethische analyse van professioneel AI-gebruik door advocaten
Op 12 en 13 februari 2026 gebeurde er iets opmerkelijks bij de rechtbank Oost-Brabant. Op 12 februari werd uitspraak gedaan in een zaak omtrent een parkeerboete1 en een huurkwestie,2 waarna er op 13 februari een vonnis in een uitkeringszaak3 werd gewezen. Tot nu toe klinkt dit niet opmerkelijk of interessant. Wat deze uitspraken echter relevant maken, zijn de rechtsoverwegingen in de uitspraken die expliciet ingaan op de nadelen van het gebruik van Artificial Intelligence (hierna: AI). In de zaak over de parkeerboete constateerde de rechter dat de eiser vermoedelijk juridisch advies had ingewonnen bij ChatGPT of een andere generatieve AI. De aanwijzing was concreet: de eiser had namelijk een uitspraak aangehaald die niet bestaat.4 Diezelfde dag is er ook zo’n vermoeden in een huurzaak, wat de kantonrechter als kwalijk beoordeelt.5 Het ging om wel acht ECLI-nummers die niet klopten. Een dag later was het wederom raak in Oost-Brabant: AI-gebruik bij een procespartij, wat gepaard ging met een vonnis waarin een expliciete waarschuwing voor de “nadrukkelijke schaduwzijde” van ChatGPT voorkwam, wat zelfs werd ondersteund met een bron in de vorm van een verwijzing naar filosoof en expert Anco Peeters, en een oproep om geen juridische hulp te zoeken bij AI.6
Het lijkt in de praktijk nogal lastig te zijn om AI een plekje te geven. Te veel AI-gebruik is niet gewenst, maar het volledig links laten liggen lijkt ook geen mooi of realistisch scenario.7 AI speelt namelijk een wezenlijke rol in de rechtspraktijk, waar de rechtenstudie aanstaande juristen op oogt voor te bereiden.8 Wat in ieder geval zeker is, is dat de rol van AI een hot topic is aan rechtenfaculteiten, maar ook in de juridische praktijk. Wanneer rechters zo nadrukkelijk waarschuwen, rijst de vraag wat dit betekent voor de beroepsgroep die zich professioneel van deze tools bedient. Dit artikel betoogt dat het gebruik van AI door advocaten niet per definitie onethisch is, maar dat het bestaande wettelijke en tuchtrechtelijke kader scherpe grenzen stelt.
De kernwaarden als kompas
Het vertrekpunt is artikel 10a Advocatenwet, waarin de vijf kernwaarden zijn vastgelegd: onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid. De kernwaarde deskundigheid (sub c) vereist dat de advocaat niet alleen het recht begrijpt, maar ook de tools die hij inzet. Vertrouwelijkheid (sub e) stelt grenzen aan het delen van cliëntgegevens met externe systemen. Integriteit (sub d) raakt aan de vraag of onjuiste AI-output mag worden gepresenteerd als eigen werk. En onafhankelijkheid (sub a) vergt dat de advocaat zijn professionele oordeel behoudt, en dus niet delegeert aan een algoritme.
Het Hof van Discipline toetst aan de maatstaf van de "redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat."9 Die maatstaf is open en tijdgebonden: wat anno 2026, met breed gedocumenteerde kennis over AI-hallucinaties, als zorgvuldig geldt, verschilt wezenlijk van vijf jaar geleden. De norm evolueert mee.
Vertrouwelijkheid onder druk
De eerste concrete ethische vraag over vertrouwelijkheid voor advocaten luidt als volgt: mag een advocaat cliëntgegevens invoeren in een cloudgebaseerd AI-systeem? Dit is een van de eerste vragen die bij veel advocaten opkomt, vooral met het oog op de kernwaarden die centraal staan in de ethiek van het beroep.
Artikel 11a lid 1 Advocatenwet legt een ruime geheimhoudingsplicht op, die zich uitstrekt tot "andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening." Het Hof van Discipline oordeelde dat advocatenkantoren bij SaaS-toepassingen (Software as a Service, oftewel een cloud-based model waarbij software niet lokaal, maar online wordt aangeboden) niet kunnen waarmaken dat persoonsgegevens uitsluitend binnen de kantoororganisatie worden verwerkt.10 De advocaat moet passende technische en organisatorische maatregelen treffen, "in het bijzonder voor de (persoons)gegevens die de advocaat in het kader van de dienstverlening van zijn cliënten verkrijgt en opslaat."11
Het invoeren van cliëntinformatie in een generatieve AI-tool zonder een verwerkersovereenkomst, data-isolatie of het informeren van de cliënt, staat op gespannen voet met de geheimhoudingsplicht. Het onderscheid tussen consumentenversies en enterprise-omgevingen van AI-platforms is niet slechts technisch, maar heeft directe juridische betekenis.
Wat echter ook van belang is als jurist, is om de kernwaarden als geheel te bekijken. Naast vertrouwelijkheid is er bijvoorbeeld ook deskundigheid. AI is een relevant thema en handig middel wat een steeds grotere rol speelt in de samenleving. Ik zou juist durven te stellen dat het volledig onkundig blijven qua AI haaks staat op de kernwaarde deskundigheid. Dat wil niet zeggen dat een advocaat die geen AI gebruikt onkundig is, maar benadrukt juist de vitaliteit van up to date blijven met de nieuwe technologie voor zover dit relevant is voor de advocatuur. Een onderdeel van deskundigheid over AI is bijvoorbeeld weten wat de valkuilen zijn, zoals dat AI soms hallucineert. Dit brengt ons bij het volgende punt.
Het hallucinatierisico
De tweede kwetsbaarheid is epistemisch van aard: wat is de verificatieplicht bij AI-output?
Generatieve AI hallucineert met regelmaat. De Rechtbank Noord-Holland verwoordde het scherp: AI "kan hallucineren doordat het soms overtuigd klinkende maar onjuiste of verzonnen informatie geeft."12 De Rechtbank Oost-Brabant constateerde: "met name in het aanhalen van eerdere rechterlijke uitspraken 'hallucineert' generatieve AI regelmatig."13
Gedragsregel 8 bepaalt dat de advocaat zich dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij "weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is."14 De formulering "behoort te weten" is cruciaal: een advocaat die anno 2026 weet dat AI hallucineert en toch output zonder verificatie indient, behoort de mogelijke onjuistheid te kennen. Het Hof van Discipline oordeelde in vergelijkbare zin dat een advocaat die onjuiste feiten presenteerde door cruciale informatie buiten beschouwing te laten, de kernwaarde integriteit schond, wat zelfs resulteerde in een berisping.15
Technologie is geen excuus
Een derde dimensie betreft de risicosfeer. De tuchtrechtspraak is helder: technologische fouten komen voor risico van de advocaat. Het Hof van Discipline oordeelde in 2023 dat het niet onverwijld rechtzetten van een door software gecreëerde fout tuchtrechtelijk verwijtbaar is.16 Het excuus "de technologie deed het" ontheft de advocaat niet van zijn verantwoordelijkheid, integendeel.
Dit beginsel strekt zich logischerwijs uit tot AI. Wanneer een advocaat ontdekt dat AI gegenereerde inhoud in ingediende stukken onjuist is, of dit had moeten ontdekken, rust de plicht tot onverwijlde rectificatie. De kantonrechter in Oost-Brabant vorderde in februari 2026 expliciet dat een gemachtigde die verzonnen bronnen had ingediend, "nadere uitleg" gaf over het gebruik van de AI-tool. Preventief geldt de verificatieplicht uiteraard nog vóór indiening.
De NOvA-aanbevelingen
De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft in 2025 aanbevelingen voor AI-gebruik in de advocatuur gepubliceerd.17 Het Advocatenblad berichtte in december 2025 dat de kern van de richtlijn is dat de advocaat "eindverantwoordelijk blijft."18 De aanbevelingen sluiten aan bij de bestaande kernwaarden en Gedragsregels en benadrukken onder meer dat advocaten cliënten moeten informeren over AI-gebruik, dat vertrouwelijkheid moet worden gewaarborgd bij het gebruik van externe tools, en dat menselijk toezicht op AI-output onontbeerlijk is.
De Verordening op de advocatuur (art. 6.4) verplicht advocaten hun kantoororganisatie te beschrijven, met aandacht voor onder meer vakbekwaamheid, informatiemanagement en risicomanagement. De NOvA-aanbevelingen geven invulling aan dit kader: AI-gebruik vereist kantoorbeleid dat de vakbekwaamheid waarborgt (sub a), het informatiemanagement regelt (sub g), de risico's beheert (sub h) en de cliëntrelatie beschermt (sub i).
Het bredere digitaliseringsprogramma van de NOvA19 positioneert AI als onderdeel van een groter transformatieproces, waarbij de Orde kennisdeling, bewustwording en praktische handvatten centraal stelt.
De praktijk: een gesprek met Elgar Weijtmans
Om dit artikel een betere link met de praktijk te geven Elgar Weijtmans geïnterviewd over zijn aanpak omtrent AI-gebruik. Weijtmans is Head of Technology bij HVG Law en met een achtergrond in de informatica en een van de vroegste pleitbezorgers van verantwoord AI-gebruik in de Nederlandse advocatuur. Al voor de opkomst van generatieve AI hield hij zich bezig met de optimalisering van juridische processen en tegen de tijd dat ChatGPT 3.5 werd gelanceerd was hij al actief bezig met de mogelijkheden voor juristen betreffende AI en hoe dit verantwoord kon worden geïntegreerd.
Weijtmans deelt zijn kennis actief en openlijk, onder meer via het platform prompting.hvglaw.nl, waar HVG Law promptingtechnieken voor juristen beschikbaar stelt, en maar ook in de vorm van literatuur en podcasts.20 Die openheid is opvallend in een beroepsgroep die van oudsher liever de kaarten op de borst houdt. Zijn uitgangspunt is pragmatisch: de technologie is er, de vraag is hoe je haar goed gebruikt.
HVG Law evalueerde meer dan veertig juridische AI-tools21 en is daarmee selectief over wat de praktijk bereikt. Achter de schermen wordt veel geëxperimenteerd, maar alleen wat bewezen nuttig en veilig is, wordt uitgerold. Die selectiviteit is veelzeggend: innovatie zonder kwaliteitscontrole is voor Weijtmans geen innovatie maar risico.
Voor het dagelijks gebruik hanteert hij drie pijlers. De eerste is verplichte training: alle juristen van het kantoor worden opgeleid en moeten hun AI-vaardigheid aantonen. Gebruik zonder begrip is geen optie. De tweede pijler is cliënttransparantie: HVG Law informeert cliënten actief over AI-gebruik, en als een cliënt daar niet blij mee is, wordt die grens gerespecteerd: in dat dossier wordt geen AI ingezet.
De derde pijler noemt Weijtmans de "hamburgermethode.”22 De metafoor is even eenvoudig als verhelderend: de menselijke advocaat vormt het broodje: boven definieert hij de opdracht en stelt hij de kaders, onder controleert en valideert hij de output. Het "vlees" is de AI: die doet de snelle verwerking, analyse en eerste opzet. De juridische kwaliteit blijft menselijk geborgd; de efficiëntie wordt aanzienlijk vergroot. De methode is een concrete invulling van wat het tuchtrecht materieel eist: meaningful human oversight, geen blinde delegatie.
Opmerkelijk is Weijtmans' positie ten aanzien van het tuchtrecht. Waar sommigen tuchtrechtelijke grenzen als beperkend ervaren, verwelkomt hij die grenzen juist. Ze dwingen tot nadenken over verantwoordelijkheid, en dat is precies wat nodig is. De advocatuur heeft bovendien, als private sector, meer experimenteerruimte dan de rechterlijke macht of ministeries. HVG Law benut die ruimte, maar zorgvuldig en begrensd door het tuchtrecht.
Weijtmans erkent ook dat AI emotioneel beladen is. Advocaten en notarissen ontlenen een belangrijk deel van hun professionele identiteit aan de teksten die zij schrijven, de analyses die zij maken, de oordelen die zij vormen. AI die dat overneemt, kan invasief aanvoelen. Dat gevoel verdient serieuze aandacht. Niet als obstakel voor innovatie, maar als signaal dat de introductie van AI zorgvuldigheid vraagt, ook in de menselijke dimensie. De reacties op AI-gebruik zijn gemengd: van groot enthousiasme tot voorzichtige spanning. Beide reacties zijn begrijpelijk en beide verdienen ruimte. Wat betreft de NOvA-aanbevelingen: HVG Law had als pionier al eerder een interne richtlijn opgesteld, die in grote mate overeenkwam met wat de Orde later publiceerde. Dat is geen toeval. Het is het resultaat van vroegtijdig nadenken over wat verantwoord gebruik betekent, vanuit dezelfde kernwaarden die de Orde nu codificeert.
Het Europese kader
Naast de Orde, die nationale beleidskaders vaststelt en aanbevelingen doet, is er uiteraard de Europese Unie (hierna: EU). Binnen de EU is AI een hot topic en de advocatuur wordt niet buiten deze discussie gelaten. De verantwoordelijkheid van advocaten wordt steeds sterker ingekaderd door Europese regelgeving. De EU AI Act (Verordening 2024/1689) hanteert een risicogebaseerde benadering: bepaalde juridische AI-toepassingen kunnen als hoog risico worden geclassificeerd, met verplichtingen voor transparantie en menselijk toezicht. Het Kaderverdrag van de Raad van Europa over AI formuleert algemene beginselen die verdragsstaten moeten implementeren.23 De advocatuur kan deze ontwikkelingen niet negeren. Ze worden deel van het speelveld waarbinnen de beroepsuitoefening plaatsvindt en compliceren de ethische afwegingen van advocaten die AI willen gebruiken.
Duurzaamheid en klimaatimpact
Een aspect dat in de juridisch-ethische literatuur over AI tot dusver onderbelicht is gebleven, betreft de ecologische voetafdruk van AI-gebruik. Het trainen en exploiteren van grote taalmodellen vereist aanzienlijke hoeveelheden energie en water. Onderzoek van Patterson e.a. (2021) toont aan dat het trainen van een enkel groot taalmodel een CO₂-uitstoot kan genereren die vergelijkbaar is met de levenslange uitstoot van vijf personenauto’s.24 Daarnaast verbruiken de datacenters die AI-inferentie mogelijk maken grote hoeveelheden koelwater: schattingen variëren van 500 ml tot enkele liters per tientallen vragen, afhankelijk van de locatie en koelmethode van het datacenter. Voor advocatenkantoren die AI grootschalig inzetten, kunnen deze individuele verbruikscijfers optellen tot een substantiële collectieve milieu-impact. Dit roept de vraag op of de beroepsethiek van de advocatuur, die traditioneel gericht is op verplichtingen jegens de cliënt, de rechtsstaat en de samenleving, ook een verantwoordelijkheid omvat ten aanzien van het klimaat en toekomstige generaties. Bezien vanuit het beginsel van maatschappelijke verantwoordelijkheid dat ten grondslag ligt aan de advocatuur, valt te verdedigen dat advocaten gehouden zijn tot een bewuste afweging van de noodzaak en proportionaliteit van AI-gebruik: niet elk routinematig taak rechtvaardigt het inzetten van energie- en waterintensieve AI-systemen wanneer een eenvoudiger alternatief voorhanden is. Dit pleit voor een principe van minimaal noodzakelijk AI-gebruik als onderdeel van een bredere duurzaamheidsethiek binnen de juridische beroepsgroep, en voor transparantie van AI-aanbieders over de ecologische kosten van hun diensten.
Conclusie
De rechter die acht verzonnen ECLI-nummers in een conclusie van antwoord aantreft en dit "kwalijk" noemt. De kantonrechter die twijfelt of een minderjarige zich kan redden met AI als financieel adviseur. Het Hof van Discipline dat technologische fouten voor risico van de advocaat brengt. En de advocaat die vanuit zijn informatica-achtergrond een hamburgermethode ontwikkelt om kwaliteit en efficiëntie te verzoenen: zij spreken samen een duidelijke taal. AI verandert de advocatuur op een onomkeerbare manier en in een rap tempo. Maar de ethische kern van het beroep verandert niet.
Het juridisch kader is helder: art. 10a Advocatenwet (kernwaarden), art. 11a Advocatenwet (geheimhouding), art. 46 Advocatenwet (open tuchtrechtelijke norm), de Gedragsregels en de NOvA-aanbevelingen bieden samen een volledig instrumentarium. De werkelijke uitdaging is niet regelgevend maar cultureel: de beroepsgroep moet AI omarmen als instrument dat de kernwaarden versterkt, niet ondermijnt. Wie AI inzet zonder te verifiëren, zonder de cliënt te informeren en zonder te begrijpen wat het systeem doet, handelt niet alleen onverstandig, maar mogelijk ook in strijd met zijn beroepsplichten.
Het goede nieuws, zo laat de praktijk van pioniers als Weijtmans zien, is dat verantwoordelijkheid en innovatie niet strijdig zijn. Ze versterken elkaar, mits de menselijke advocaat aan het stuur blijft. Het broodje mag immers niet ontbreken. Maar zelfs met inachtneming van dat broodje blijft het zo dat de technologie nieuw is, wat betekent dat het volop in ontwikkeling is en niet alles erover bekend is. Er zijn rondom bijvoorbeeld duurzaamheid nog veel vraagtekens. Tegelijkertijd is het in lijn met de kernwaarde deskundigheid om AI-vaardig te zijn als advocaat. Op professioneel gebied kijk ik als toekomstig jurist met ambities voor de advocatuur uit naar de ontwikkelingen, maar ik zal AI niet snel buiten de werkvloer van stal halen.
Voetnoten
1 Rb. Oost-Brabant 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:934.
2 Rb. Oost-Brabant 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:909.
3 Rb. Oost-Brabant 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:975.
4 Rb. Oost-Brabant 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:934, r.o. 4.1.
5 Rb. Oost-Brabant 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:909, r.o. 4.5.
6 Rb. Oost-Brabant 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:975, r.o. 2.3.4.
7 M. Attinger & D. Groenevelt, Reactie op ‘GenAI aan rechtenfaculteiten: uit voorzorg verbieden’, NJB 2026/188, p. 279-283.
8 Dit wordt bijvoorbeeld aangetoond in de case study van Deloitte Legal in S. Mathijssen et al., Aan het werk met generatieve AI – Verkenning op basis van literatuur en case studies (rapport), TNO 2025, p. 21-25 en het artikel van E. Weijtmans, ‘Hoe AI-modellen in vijftien maanden het niveau van ervaren advocaten naderen’, LinkedIn 2025, linkedin.com/pulse/hoe-aimodellen-vijftien-maanden-het-niveau-van-elgar weijtmans-ggmve/.
9 HvD 12 januari 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:12, r.o. 5.8.
10 HvD 17 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:1, r.o. 5.24.
11 HvD 17 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:1, r.o. 5.21.
12 Rb. Noord-Holland 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11321.
13 Rb. Oost-Brabant 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:934, r.o. 4.1.
14 HvD 8 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:144, r.o. 7.6.
15 HvD 8 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:144, r.o. 7.19 & 8.1.
16 HvD 3 juli 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:106, r.o. 5.9.
17 ‘Digitalisering & AI’, advocatenorde.nl.
18 ‘AI-richtlijn: advocaat blijft eindverantwoordelijk’, advocatenblad.nl.
19 ‘Digitalisering & AI’, advocatenorde.nl.
20‘AI en het recht: Elgar Weijtmans (HVG Law) over experimenteren en kennis delen’, mr-online.nl.
21 ‘We evalueerden 40+ juridische AI-tools: dit zijn onze bevindingen’, linkedin.com.
22 ‘AI en het recht: Elgar Weijtmans (HVG Law) over experimenteren en kennis delen’, mr-online.nl.
23 Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, artikel 6.
24 D. Patterson e.a., ‘Carbon and the Cloud: Measuring the Tradeoffs of Training Deep Learning Models’, arxiv.org 2021, arXiv:2104.10350.
Comments ()